Het verschil tussen de solidaire en de flexibele premieregeling
Het nieuwe stelsel kent twee soorten regelingen. Ze verschillen in wie het beleggingsrisico draagt, in de buffer die meebeweegt en in de keuze die u op de pensioendatum hebt.
Geachte lezer,
Twee collega’s van dezelfde leeftijd, met hetzelfde salaris, kunnen straks een heel ander soort pensioenbrief krijgen. De een leest over een collectief belegd vermogen dat per leeftijdsgroep wordt verdeeld. De ander leest over een eigen pot met een keuze op de pensioendatum. Het verschil komt niet van hun werkgever alleen, maar van de contractvorm die in hun regeling is gekozen. De Wet toekomst pensioenen kent er twee: de solidaire premieregeling en de flexibele premieregeling.

In beide gevallen staat de premie centraal en niet een beloofde uitkering, zoals in veel oude regelingen. Maar wie het beleggingsrisico draagt, hoe groot de buffer is en wat er op de pensioendatum gebeurt, verschilt duidelijk. Welke van de twee in uw regeling komt, staat in het transitieplan; hoe u dat leest, staat in de brief over het transitieplan.
Wat beide regelingen gemeen hebben
In het nieuwe stelsel wordt de premie die werkgever en werknemer inleggen het uitgangspunt. Het pensioen dat daaruit voortkomt, beweegt mee met de beleggingsresultaten en met ontwikkelingen zoals de levensverwachting. Dat geldt voor beide contractvormen. Ook in beide vormen kan een fonds schokken uitsmeren over een periode van maximaal tien jaar, zodat een slecht beleggingsjaar niet in één keer in de uitkering terechtkomt.1
Wat geen van beide is: een spaarrekening waar u vrij over beschikt. Het vermogen blijft bestemd voor pensioen en u kunt het niet zomaar opnemen. Dat onderscheid staat ook in het hoofdartikel over de pensioenverandering.
De solidaire premieregeling
In de solidaire premieregeling wordt de premie collectief belegd. Het rendement wordt verdeeld over de deelnemers, in ieder geval per leeftijdsgroep, het zogeheten cohort. Jongere deelnemers krijgen doorgaans meer van het beleggingsrisico toebedeeld, ouderen en gepensioneerden minder.1
Op de pensioendatum gaat iedereen in deze regeling over naar een variabele uitkering. De hoogte kan dus ook na de pensioendatum bewegen, gedempt door het uitsmeren van schokken. De regeling rekent met een projectierendement: een vooraf vastgestelde verwachting van het rendement, waarin een beperkte risicopremie mag zitten.1
Een verplicht onderdeel is de solidariteitsreserve. Dat is een gezamenlijke buffer waaruit tegenvallers voor bepaalde groepen kunnen worden opgevangen, bijvoorbeeld voor gepensioneerden in een slecht jaar.
De flexibele premieregeling
In de flexibele premieregeling wordt de premie op persoonlijke basis belegd. Hoe dicht u bij de pensioendatum bent, bepaalt meestal hoeveel risico er wordt genomen: hoe dichterbij, hoe voorzichtiger.2
Op de pensioendatum kiest u. Met het opgebouwde kapitaal koopt u een vaste uitkering of een variabele uitkering. Een vaste uitkering beweegt niet meer met de beurs mee, maar stijgt ook niet vanzelf. Een variabele uitkering kan stijgen en dalen.2
Een buffer is hier niet altijd verplicht. De flexibele regeling kan een gezamenlijke risicodelingsreserve hebben; DNB noemt die in principe een keuze, al is hij in sommige gevallen wel verplicht.3
De twee naast elkaar
| Onderdeel | Solidaire regeling | Flexibele regeling |
|---|---|---|
| Beleggen | Collectief, rendement per leeftijdsgroep verdeeld | Op persoonlijke basis |
| Uitkering na pensioendatum | Altijd variabel | Keuze: vast of variabel |
| Buffer | Solidariteitsreserve, verplicht | Risicodelingsreserve, niet altijd verplicht |
| Maximale omvang buffer | 15% van het pensioenvermogen | 15% van het pensioenvermogen |
| Uitsmeren van schokken | Maximaal tien jaar | Maximaal tien jaar |
Bronnen: Pensioenwet en DNB, stand oktober 2026. Hoofdlijnen; de precieze invulling verschilt per regeling.
Hoe de buffer wordt gevuld en gebruikt
Voor beide buffers gelden dezelfde grenzen. De reserve mag niet groter worden dan 15 procent van het totale vermogen dat voor de pensioenen is bestemd, de reserve zelf meegerekend. Een fonds dat bij de start daarboven zit, heeft tot 1 januari 2037 om dat recht te zetten. De reserve wordt per jaar gevuld met hooguit 10 procent van de premie of met hooguit 10 procent van het positieve overrendement. En de reserve mag niet negatief worden.3
Daarnaast moeten de regels voor het vullen en het uitdelen in principe ten minste vijf jaar vastliggen. Dat voorkomt dat een fonds elk jaar opnieuw kiest wie er geld uit de buffer krijgt.
Een rekenvoorbeeld van het uitsmeren
Stel, ter illustratie, dat een fonds in een slecht beleggingsjaar een tegenvaller heeft die neerkomt op 5 procent van de uitkeringen. Zonder uitsmeren zou de uitkering in één keer 5 procent lager worden. Wordt de tegenvaller over tien jaar gespreid, dan gaat het in vereenvoudigde vorm om ongeveer een half procent per jaar. Komen er in die jaren meevallers bij, dan kunnen die het effect dempen of opheffen.
Dit is een vereenvoudiging: fondsen rekenen met hun eigen methode en de spreidingsperiode verschilt per regeling. Het voorbeeld laat alleen zien waarom een uitkering in het nieuwe stelsel in kleinere stappen kan bewegen dan het nieuws over één beleggingsjaar doet vermoeden. Waarom dit anders werkt dan de oude indexatie, leest u in de brief over indexatie.
Wat u op uw overzicht ziet
In een solidaire regeling ziet u meestal een persoonlijk pensioenvermogen en een verwachte uitkering in drie scenario’s: een verwacht, een gunstig en een ongunstig scenario. In een flexibele regeling ziet u eerder een beleggingsprofiel en het kapitaal dat op uw naam staat, met een indicatie van wat u daarmee op de pensioendatum kunt kopen.
Als u al pensioen ontvangt, verandert er vooral iets aan de manier waarop uw uitkering in de toekomst kan bewegen. De keuze tussen vast en variabel is in de flexibele regeling gemaakt op het moment van pensioneren; in de solidaire regeling bestaat die keuze niet.
Voor wie het verschil telt
- Deelnemers die binnen tien jaar met pensioen gaan, omdat in de flexibele regeling dan de keuze tussen vast en variabel dichterbij komt.
- Gepensioneerden in een solidaire regeling, omdat hun uitkering variabel wordt en de buffer bepaalt hoe tegenvallers worden opgevangen.
- Partners en nabestaanden, omdat ook het partnerpensioen onder de nieuwe regeling valt. Zie de brief over het partnerpensioen.
Waar het op neerkomt
De solidaire regeling deelt meer risico’s collectief en geeft altijd een variabele uitkering. De flexibele regeling legt meer bij de persoon zelf, inclusief een keuze op de pensioendatum. Geen van beide is per definitie beter: het hangt af van hoe de regeling is ingericht en van wat u belangrijk vindt. Welke vorm uw regeling heeft, staat in het transitieplan en op het overzicht van uw eigen pensioenuitvoerder.
P.S. Staat er op uw overzicht een woord dat u niet kent, zoals cohort of projectierendement? Uw pensioenuitvoerder legt het op verzoek uit, en die uitleg geldt voor uw eigen regeling.
- 1Pensioenwet, geldend vanaf 1 januari 2026 (art. 1, 10a en 63a) — definities van beide regelingen, projectierendement, spreiding tot tien jaar.
- 2AFM — Soorten pensioenregeling — keuze tussen vaste en variabele uitkering, afbouw van risico.
- 3De Nederlandsche Bank — Solidariteitsreserve en risicodelingsreserve — maximaal 15%, vulling tot 10%, overgang tot 2037.
Dit is particuliere, gesponsorde informatie van NIVO Consultancy OÜ. Creo2 is geen website van de Rijksoverheid, de SVB, de Belastingdienst of een pensioenfonds en is daar niet aan verbonden. Niets op deze pagina is financieel, fiscaal of juridisch advies. Elk bedrag komt uit de genoemde officiële bronnen of is een duidelijk aangegeven rekenvoorbeeld, nooit een toezegging of een bedrag dat u zult ontvangen. Op deze site kunt u niets aanvragen en u betaalt niets. Geef nooit uw BSN, DigiD-inloggegevens of IBAN aan een website naar aanleiding van een artikel. Voor uw eigen situatie gaat u naar uw pensioenuitvoerder, naar mijnpensioenoverzicht.nl (inloggen met DigiD alleen op die officiële site) of naar svb.nl. Cijfers gecontroleerd op .